Arabieren zijn bang voor de Joden
Het westen is bang voor de oosterling
Iedereen is als de dood voor een ander
(Iedereen is bang, Fons Jansen 1975)
De
mythe van nieuwe wijn
Eind
2001. Een medewerkster van de Wiardi Beckman Stichting doet voor het eerst van
zich spreken. Ze heeft een mening over de islam, en wil deze aan iedereen die
het maar horen wil vertellen. Ze heet Ayaan Hirsi Ali en ze moet niets van de
islam hebben.
Al
gauw presenteerden veel journalisten, columnisten, intellectuelen en wetenschappers
haar als vernieuwer, als iemand die een totaal nieuw verhaal had te vertellen
over de islam. En iemand die eindelijk de waarheid over de islam onthulde. Fortuyn
had het al eerder gezegd en nu was er een vrouw uit Soedan met een moslimachtergrond
die hetzelfde beweerde: de islam is een achterlijke godsdienst. Zij was een
moslima. Haar verhaal moest wel waar zijn.
Maar brak
Ayaan Hirsi Ali daadwerkelijk met het verleden? Is ze daadwerkelijk vernieuwend
geweest? Het antwoord is nee. Anderen zijn haar voorgegaan. Zij is niet degene
die begonnen is om de islam te problematiseren. Zij staat in de traditie van
anti-islam sentimenten, van de angst voor de islam en voor het oosten. Zij heeft
deze sentimenten gevoed en daarmee aansluiting gezocht en gevonden bij de vertegenwoordigers
van de dominante cultuur in Nederland om een culturele en religieuze minderheid
in een kwaad daglicht te zetten.
Angst
De
angst voor het andere, voor het vreemde is van alle tijden. Eind jaren zestig,
begin jaren zeventig kreeg deze angst in West-Europa een impuls. We haalden
het andere, het vreemde in huis: gastarbeiders uit Turkije en Marokko. Daarmee
werd ook de angst voor de moslim en de islam aangewakkerd en gevoed. Al in 1973
constateerde en bekritiseerde de Duitse cineast Fassbinder deze angst in de
film Alle Turken heten Ali. Zijn Duitse personages gooien Turken, Marokkanen,
Arabieren op een hoop en denken dat alle Arabieren terroristen zijn.
Feministische
kritiek
Hirsi
Ali en consorten willen zich graag voorstaan op hun feministische inborst. Feministische
kritiek op de islam is in Nederland niet nieuw. Al in 1983 beweert criminologe
C.I. Dessaur dat de islam het grootste probleem is voor vrouwen: niet de man,
niet het kapitalisme en niet het communisme. En in 1980 verschijnt in het Nederlands
De gesluierde Eva: vrouwen in de Arabische wereld van Nawal El Saadawi.
In dit boek kunnen we kennis nemen van een Egyptische feministe die niet de
islam aan de kaak stelt, maar wel de vrouwvijandigheid in vele islamitische
culturen.
Het verwijt aan moslims dat zij aan vrouwenbesnijdenis doen en dat hun geloof
deze praktijk propageert, is al minstens dertig jaar oud. Reeds in 1977 ageerde
de toenmalige Federatie van Moslim Organisaties in Nederland (FOMON) tegen deze
verminking van vrouwen. Volgens deze federatie is deze verminking een misdaad
en een heidense traditie. Zij pleitte dan ook voor volledige afschaffing.
Dit kan islamfoben echter niet weerhouden om steeds maar weer de islam met vrouwenbesnijdenis
te vereenzelvigen. Begin jaren negentig doen columnisten als Theodor Holman
van zich spreken door de islam te verwijten vrouwenbesnijdenis te propageren.
En in het begin van de 21e eeuw zet Hirsi Ali dit verwijt weer op de Nederlandse
politieke agenda.
De Nederlandse discussie over islam en vrouwenbesnijdenis is vrij bizar. Vrouwenbesnijdenis
komt namelijk niet alleen bij islamitische groeperingen. Zij komt ook voor bij
christelijke groeperingen. Daarnaast komt vrouwenbesnijdenis vooral voor in
Noord- en Midden-Afrika. Zij komt niet voor in Marokko en Turkije. Dit zijn
toch de landen waar het merendeel deel van de in Nederland wonende moslims vandaan
komt. Waarom
dan deze moslims verantwoordelijk stellen voor iets waar ze geen verantwoordelijkheid
voor kunnen dragen?
Aanpassen of verzuipen
Hirsi Ali eist van moslims en moslima’s dat zij zich aanpassen aan de normen en waarden van de Nederlandse cultuur. Hiermee staat ze in de traditie van de VVD. Deze partij pleit al sinds begin jaren negentig voor totale assimilatie van moslims. Het wetenschappelijk bureau van de VVD publiceerde hierover een nota in 1992 en de VVD-fractievoorzitter in de Tweede Kamer, Frits Bolkestein, startte begin jaren negentig de discussie over de onverenigbaarheid van de islam met het westen. Het is dan ook niet vreemd dat Hirsi Ali zich eind 2002 aansluit bij de VVD.
Voor
de goede orde: ook een deel van links pleitte in de jaren tachtig en negentig
voor aanpassing van de moslims aan de Nederlandse samenleving. De SP publiceerde
in 1983 een nota waarin dit idee werd verdedigd.
Bedreiging
Nu willen velen ons doen geloven dat Bolkenstein en de VVD begin jaren negentig roependen in de woestijn waren. Kritiek op de islam of moslims zou niet mogelijk zijn geweest. Deze opvatting moet met vele korrels zout genomen worden. Het is zelfs zo dat het mislukken van de integratie van moslims in de Nederlandse samenleving een belangrijk strijdpunt was bij de Tweede Kamerverkiezingen in 1994.
Het problematiseren van de islam werd breed gedragen. Hier een drietal aanwijzingen.
1. De Volkskrant van 22 december 1990 besteedde een special aan de islam. En wat blijkt?
2. In 1995 verscheen 'De mythe van het islamitisch gevaar' van W. Shadid en P.S. van Koningsveld. Zij constateren in dit boek dat er vanaf eind jaren tachtig een heftige discussie gaande was over moslims en de islam. Volgens hen zochten politici, wetenschappers en columnisten ook toen al de oorzaak van de sociaaleconomische achterstand van moslims in de islam en in het gebrek aan aanpassing aan de Nederlandse normen en waarden.
3. Rens Vliegenthart heeft onderzoek gedaan naar de berichtgeving over de islam tussen 1995 en 2005. Dit onderzoek toont aan dat het thema 'islam als bedreiging' in deze periode zeer dominant aanwezig was in krantenartikelen. Alleen rond 2000, een jaar voordat Hirsi Ali op het toneel verscheen, voerde het multiculturalisme de boventoon.
Oriëntalistische
blik
Hirsi
Ali beschrijft de islam als een onveranderbaar monotheïstisch religieus systeem
en een onveranderbaar monolithisch cultureel systeem: een religie die in alle
tijden en op alle plaatsen hetzelfde is gebleven. Volgens haar is er geen fundamenteel
verschil tussen de islam in bijvoorbeeld Soedan, Indonesië, Marokko, Turkije,
Saoedi-Arabië, Libanon en Armenië. Ook is er volgens haar geen fundamenteel
verschil tussen bijvoorbeeld de Turkse islam in de 19e eeuw, de Turkse islam
in de 21ste eeuw en de islam in Mekka van de 7e eeuw.
Haar opvattingen sluiten naadloos aan bij de traditionele oriëntalisten.
Dit zijn westerse onderzoekers die vanaf eind 18e eeuw, sinds de verovering
van Egypte door Napoleon, het oosten hebben trachten te beschrijven en beheersen.
Daarbij betrokken deze onderzoekers vaak ook het religieus systeem in het oosten:
de islam. In zijn boek 'Oriëntalisten' beschrijft
Edward Said deze houding van het westen tegenover het oosten.
Ook Hirsi Ali’s idee dat de achterstelling van moslims aan henzelf te wijten
is, haar idee dat de islam alleen met de hulp van het westen te veranderen is
en haar idee dat het westen superieur is, zijn niet uniek. Said bewijst dat
deze denkbeelden gedurende de hele 20ste eeuw in het westen gangbaar zijn geweest.
Kortom: er is niets nieuws onder de zon. Het gedachtegoed van Hirsi Ali is oude
wijn in nieuwe zakken.
© Chris van der Kroon